Boete rijden onder invloed

Het rijden onder invloed is strafbaar gesteld in artikel 8 Wegenverkeerswet. Het is eenieder verboden om een voertuig te besturen na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat het ademalcoholgehalte hoger blijkt te zijn dan 220 µg/l of het bloedalcoholgehalte hoger blijkt te zijn dan 0,5 ‰. Bij een beginnend bestuurder ligt het toegestane ademalcoholgehalte op 0,88 en het alcoholpromillage op 0,2.

Het rijden onder invloed is een misdrijf. De boete rijden onder invloed is een maximale gevangenisstraf van zes maanden en een boete van de derde categorie (€ 8.200,-). Ook kan hiervoor een taakstraf worden opgelegd. Daarnaast kan bij een (eerste) veroordeling de bijkomende straf van ontzegging van de rijbevoegdheid worden opgelegd voor maximaal vijf jaar.

De officier van justitie heeft drie manieren om het rijden onder invloed strafrechtelijk af te doen. Het aanbieden van een transactie, het houden van een zogenaamde officierszitting gevolgd door een strafbeschikking en het dagvaarden van de betrokkene voor de politierechter.

Teneinde zaken zoveel mogelijk gelijk af te doen, heeft het College van Procureurs-Generaal een Richtlijn voor de officieren van justitie vastgesteld. Dit is de zogenaamde Richtlijn voor strafvordering rijden onder invloed.

In deze Richtlijn is opgenomen op welke wijze het rijden onder invloed moet worden afgedaan. Dit is afhankelijk van de hoogte van het alcoholpromillage, het rijgedrag en de vraag of er sprake is van recidive. Aan iedere factor is een aantal punten toegekend. Het totale aantal punten komt dan overeen met de wijze van afdoening.

Wanneer de betrokkene voor de eerste keer is aangehouden met een laag alcoholpromillage, kan er een transactie worden aangeboden. Als de betrokkene deze transactie betaalt, is hij er strafrechtelijk verder van af.

Bij een hoger alcoholpromillage heeft de officier van justitie de keuze om de betrokkene op te roepen voor een officierzitting of te dagvaarden voor de politierechter.

Bij een officierszitting verschijnt de betrokkene voor de officier van justitie. Deze kan dan een voorstel doen voor een strafbeschikking. Deze strafbeschikking geeft de mogelijkheid aan de officier van justitie zelfstandig een straf op te leggen.

Bij het rijden onder invloed zal het dan gaan om een boete al dan niet in combinatie met een maximale rijontzegging van zes maanden. Wanneer iemand het met deze straf niet eens is, kan hij daartegen binnen twee weken verzet instellen bij de officier van justitie. Deze zal de betrokkene dan moeten dagvaarden voor de politierechter.

De betrokkene zal alert moeten zijn op deze strafbeschikking. De daarin opgenomen straf kan in sommige gevallen namelijk zwaarder zijn dan de straf die de betrokkene van de politierechter zal krijgen.

Om gelijke gevallen zo veel mogelijk gelijk te berechten, hebben Rechtbanken net als het Openbaar Ministerie op dit punt gezamenlijk richtlijnen opgesteld. Dit zijn de zogenaamde oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg van de voorzitters van de strafsectoren van de Gerechtshoven en Rechtbanken (LOVS).

In deze oriëntatiepunten is een leidraad voor de rechter opgenomen voor het straffen van het rijden onder invloed. In een tabel zijn schalen (I t/m XVI) opgenomen. Een schaal correspondeert met een ondergrens en bovengrens van een alcoholpromillage. Aan een schaal is een straf voor het rijden onder invloed gekoppeld.

Wanneer er sprake is van recidive binnen een periode van vijf jaar na een eerdere straf wegens het rijden onder invloed, is de naast hogere schaal van toepassing. Dit is ook het geval bij verkeersgevaarlijk gedrag. De straf voor het rijden onder invloed is dan zwaarder.

De oriëntatiepunten zijn oorspronkelijk afgeleid van de Richtlijnen van het Openbaar Ministerie. De Richtlijnen van het Openbaar Ministerie zijn in de loop der jaren aangescherpt waardoor de oriëntatiepunten hiervan thans in gunstige zin kunnen afwijken.

Dit kan tot gevolg hebben dat de officier van justitie op grond van zijn Richtlijn van mening is dat er een rijontzegging moet worden opgelegd, terwijl de politierechter op grond van de oriëntatiepunten van oordeel is dat er geen rijontzegging moet worden opgelegd. Op grond hiervan kan het weleens lonen om verzet tegen een strafbeschikking in te stellen en de zaak voor de politierechter te laten komen.

De politierechter zal naar alle omstandigheden van het geval kijken. Het gemeten alcoholpromillage, de vraag of er recidive is en de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene.

Wanneer de betrokkene bijvoorbeeld het rijbewijs nodig heeft voor zijn werk, kan de rechter hier rekening mee houden. In plaats van het opleggen van een onvoorwaardelijke rijontzegging zou hij om die reden dan kunnen besluiten een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen.

Wanneer de politierechter een straf oplegt waar een betrokkene zich niet mee kan verenigen, kan de betrokkene hiertegen binnen veertien dagen in hoger beroep gaan bij het Gerechtshof. Het Gerechtshof zal de zaak dan opnieuw behandelen.

Als u meer wilt weten over de straffen die na het rijden onder invloed worden opgelegd, kunt u contact opnemen met advocaat verkeersrecht Bert Kabel. Zijn telefoonnummer is 040- 284 1172.