Bloedonderzoek alcohol

Inleiding
Over het recht tot het laten verrichten van een tegenonderzoek in het strafrecht is het nodige gepubliceerd. Ook heeft het Europese Hof voor de Rechten van de Mensen (EHRM) in diverse zaken geoordeeld over het recht op contra-expertise in het strafrecht.

In het strafrecht is in diverse wettelijke bepalingen het recht op contra-expertise vastgelegd. Zo is in artikel 151a lid 4 Wetboek van Strafvordering opgenomen dat de verdachte of zijn advocaat na kennisneming van de uitslag van een DNA-onderzoek kan verzoeken om een tegenonderzoek. Ten aanzien van de bloedproef is het recht op contra-expertise neergelegd in artikel 163 lid 10 WvW hetgeen nader is uitgewerkt in het Besluit alcoholonderzoeken en de Regeling bloed- en urineonderzoek.

Buiten het strafrecht kan een burger ook belang hebben bij het laten verrichten van een tegenonderzoek. Hierna zal worden ingegaan op het recht op contra-expertise in de vorderingsprocedure van het CBR. Achtereenvolgens zal kort worden ingegaan op deze procedure en het hiervan deel uitmakende bloedonderzoek alcohol. Daarnaast zal aandacht worden besteed aan de vraag of het recht op contra-expertise in deze procedure voortvloeit uit artikel 6 EVRM en zal worden ingegaan op de jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Procedure
Wanneer iemand onder invloed van teveel alcohol heeft gereden, kan de overheid middels het strafrecht hierop reageren. Daarnaast heeft de overheid in bepaalde gevallen het bestuursrecht tot haar beschikking om te reageren op het rijden onder invloed. Dit is de zogenaamde vorderingsprocedure van het CBR ex artikel 130-134 WVW. Het te dienen belang van deze procedure is de verkeersveiligheid.

Indien er is voldaan aan de voorwaarden in artikel 131 WvW jo. artikel 6 lid 1 Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid legt de algemeen directeur van het CBR een onderzoek naar de geschiktheid op. Dit onderzoek wordt in opdracht van het CBR door een psychiater uitgevoerd. Doel van het onderzoek is om na te gaan of er sprake is van aanwijzingen voor alcoholmisbruik en alcoholafhankelijkheid. Indien het oordeel van de keurend psychiater luidt dat er voldoende aanwijzingen zijn voor alcoholmisbruik en/of alcoholafhankelijkheid, zal de algemeen directeur van het CBR oordelen dat er niet is voldaan aan de eisen van geschiktheid. Alsdan zal het CBR het voornemen kenbaar maken het rijbewijs ongeldig te verklaren. Indien de betrokkene niet om een tweede onderzoek door een psychiater verzoekt dan wel dat de psychiater bij het tweede onderzoek de conclusie van de eerste psychiater overneemt, zal het rijbewijs ongeldig worden verklaard.
Het onderzoek door de psychiater valt in drie delen uiteen, te weten een psychiatrisch onderzoek, een lichamelijk onderzoek en een bloedonderzoek alcohol. Op dit bloedonderzoek alcohol zal nu verder worden ingegaan.

Bloedonderzoek
Ten behoeve van het onderzoek door de psychiater wordt er vooraf of ten tijde van het onderzoek bloed bij de betrokkene afgenomen. Dit bloedonderzoek alcohol wordt vervolgens in een door het CBR aangewezen laboratorium onderzocht op een aantal waarden die indicatief kunnen zijn voor het gebruik van alcohol. Dit betreffen de bloedwaarden ALAT, ASAT, GGT, MCV en CDT/ DST.

Een geconstateerde waarde boven de gehanteerde referentiewaarde levert voor de psychiater een zeer belangrijke aanwijzing voor alcoholmisbruik op. Voor alle deze bloedwaarden geldt echter dat ze ook verhoogd kunnen zijn door vele andere oorzaken dan alcohol. Zo kan het GGT onder andere verhoogd zijn door overgewicht, overmatig roken, bepaalde leveraandoeningen, staetose en door het gebruik van bepaalde medicijnen. Zo kan de ALAT onder andere verhoogd zijn door hepatitis, galblaasproblemen en het gebruik van bepaalde medicijnen.Verder geldt voor de ALAT dat een geringe verhoging van 1,5 maal de bovengrens meestal geen klinische betekenis heeft bij iemand die verder niet ziek is. De ALAT kent verder een dag tot dag variatie van maximaal 30%. De ASAT kan onder andere verhoogd zijn door hepatitis, galblaasproblemen en leveraandoeningen. Uit onderzoek is gebleken dat het MCV in het merendeel van de gevallen verhoogd is door een vitamine B12 gebrek of een foliumzuurtekort.

Tot slot kan het CDT verhoogd zijn door hepatitis, zwangerschap, bepaalde leveraandoeningen en genetische varianten. Daarnaast is van het CDT bekend dat er binnen één laboratorium bij analyse van één bloedmonster verschillen in uitslagen kunnen voorkomen. Bij eveneens analyse van één bloedmonster kunnen er tussen laboratoria zelfs verschillen in uitslagen voorkomen. Dit heeft te maken met de onnauwkeurigheid die in de bepaling van het CDT zit. Als advocaat heb ik dit vaak gezien.

Het vorenstaande betekent dat de onderzochte bloedwaarden niet alleen verhoogd kunnen zijn door aan de betrokkene gerelateerde oorzaken doch ook door een onjuiste bepaling in het bewuste laboratorium. De uitslag van het bloedonderzoek alcohol kan derhalve reden geven hieraan te twijfelen.

Artikel 6 EVRM
Gelet op het feit dat het bloedonderzoek onjuiste uitslagen kan geven, kan een betrokkene een groot belang hebben bij het laten verrichten van een tegenonderzoek in een ander laboratorium. In de artikelen 130-134 WVW en de hierop gebaseerde lagere regelgeving is echter niet voorzien in het recht op contra-expertise. Het is de vraag of dit recht in deze bestuursrechtelijke procedure voortvloeit uit artikel 6 EVRM.

Artikel 6 EVRM regelt het recht op een eerlijk proces. Het EHRM heeft ten aanzien van strafprocedures reeds meerdere malen overwogen dat de procedure ‘as a whole’ eerlijk moet zijn geweest en het beginsel van ‘fair trial’ moet zijn gerespecteerd. Een betrokkene dient op grond van artikel 6 EVRM voldoende in de gelegenheid zijn gesteld om het tegen hem ingebrachte bewijsmateriaal te onderzoeken en te bekritiseren. Deze mogelijkheden moeten voor de betrokkene ‘practical and effective’ zijn geweest.

Dat het recht op contra-expertise ook in bestuursrechtelijke kwesties voortvloeit uit artikel 6 EVRM kan worden afgeleid uit een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 10 april 2003. In voornoemde zaak ging het om de oplegging van een bestuurlijke boete wegens het in de handel brengen van levensmiddelen, in casu kookworsten, in strijd met Duitse regelgeving. Deze kookworsten waren in beslag genomen en onderzocht door laboratoria. De conclusie van deze laboratoria was dat het product van een onvoldoende kwaliteit was om aangeduid te mogen worden als boerenworst. Op grond hiervan werd door de betrokken overheidsinstantie een boete opgelegd. De fabrikant kon zich hiermee niet verenigen en voerde aan dat er strijd was met artikel 6 EVRM nu hij niet in staat was gesteld een contra-expertise in een ander laboratorium uit te laten voeren.

Het Hof van Justitie overwoog dat het aan de nationale rechter is te beoordelen of de aanvaarding als bewijsmiddel van de in het geding aan de orde zijnde analyseresultaten, gelet op alle gegevens feitelijk en rechtens waarover hij beschikt, schending van het beginsel van hoor en wederhoor en derhalve ook recht op een eerlijk proces tot gevolg kan hebben. Bij deze beoordeling zal de nationale rechter meer in het bijzonder moeten nagaan of het in het geding aan de orde zijnde bewijsmiddel betrekking heeft op een technisch gebied waarvan de rechter geen kennis heeft en of het een doorslaggevende invloed kan hebben op zijn beoordeling van de feiten en, indien dit het geval mocht zijn, of de rechtszoekende nog over een werkelijke mogelijkheid om dit bewijsmiddel op zinvolle wijze toe te lichten. Indien de nationale rechter tot het oordeel zou komen dat de aanvaarding als bewijsmiddel van de analyseresultaten schending van het beginsel van hoor een wederhoor en derhalve van het recht op een eerlijk proces tot gevolg heeft, zou hij deze resultaten als bewijsmiddel moeten uitsluiten om die schending te voorkomen.

In de vorderingsprocedure van het CBR gaat het om de beoordeling van bloeduitslagen. Deze analyseresultaten hebben betrekking op een technisch gebied waarvan de bestuursrechter geen kennis heeft. Deze bloeduitslagen hebben doorslaggevende invloed op de beoordeling. De Raad van State heeft ten aanzien van het CDT op 25 oktober 2006 namelijk reeds uitgemaakt dat een enkel verhoogd CDT duidt op alcoholmisbruik. Ook in bestuursrechtelijke procedures heeft een betrokkene derhalve op grond van artikel 6 EVRM recht om het analyseresultaat in een ander laboratorium te laten onderzoeken.

Uitspraak Raad van State
In de vorderingsprocedure van het CBR ex artikel 130-134 WvW is niet voorzien in het recht op contra-expertise. Op 29 augustus 2007 heeft de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State zich na een daartoe strekkend verweer van de advocaat echter uitgelaten over de vraag of een betrokkene in de procedure ex artikel 130-134 WvW recht heeft op een contra-expertise.

Ten aanzien van het doen verrichten van een contra-expertise op de voor laboratoriumonderzoek gebruikte bloedmonsters dient volgens de Raad van State als uitgangspunt te gelden dat daartoe gelegenheid dient te worden geboden en dat die bloedmonsters daartoe enige tijd bewaard dienen te blijven. Op basis van een tweede test op hetzelfde bloedmonster kan de in het eerste onderzoek gemeten bloedwaarde ter discussie worden gesteld. Naar het oordeel van de Raad van State dient een verzoek om het ter beschikking stellen van het monster dan wel in een zo vroeg mogelijk stadium te worden gedaan.

De Raad van State heeft in zijn uitspraak niet aangegeven hoe lang de bloedmonsters bewaard dienen te blijven. Ook heeft de Raad van State niet aangegeven tot welk moment het verzoek tot het ter beschikking stellen van het bloedmonsters als tijdig kan gelden. Inmiddels lijkt daar duidelijkheid in te zijn gekomen.

Bewaartermijn
In een uitspraak van 29 april 2008 heeft de Raad van State namelijk uitgemaakt dat het beleid bij het desbetreffende laboratorium om bloedmonsters 12 maanden te bewaren niet onredelijk voorkwam. De Raad van State acht een bewaartermijn van 12 maanden derhalve niet onredelijk.

Ook in de lagere rechtspraak is dit aan de orde geweest. Zo heeft de Rechtbank Arnhem op 16 januari 2009 geoordeeld dat het vernietigen van de bloedmonsters binnen 4 maanden in strijd is met de regel dat bloedmonsters enige tijd bewaard moeten blijven. De Rechtbank Arnhem ging daarna eveneens uit van een bewaartermijn van 12 maanden.

Belang contra-expertise
Het belang van het tijdig aanvragen van een contra-expertise is groot. Dit komt doordat de Raad van State in 2002 ten aanzien van het CDT heeft bepaald dat op de betrokkene de bewijslast rust dat er bij hem een andere oorzaak ten grondslag ligt aan een verhoogde waarde van het CDT. De betrokkene zal hiertoe vaak enkel in staat zijn indien hij de beschikking krijgt over het gebruikte bloedmonster.

Indien de contra-expertise niet meer mogelijk is, hoewel de betrokkene of diens advocaat deze tijdig heeft aangevraagd, dient dit gevolgen te hebben. Ten aanzien van het CDT heeft de Rechtbank Amsterdam op 19 december 2008 geoordeeld dat een betrokkene alsdan geen eerlijke kans heeft gehad de eventuele foute bloeduitslag aan te vechten. De bloeduitslag moet hierdoor uit het rapport geschrapt worden.

In een uitspraak van 11 maart 2009 heeft de Rechtbank Arnhem ten aanzien van het CDT geoordeeld dat het schenden van het tijdige verzoek om contra-expertise leidt tot een schending van het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Het gevolg hiervan is dat er geen conclusies mogen worden verbonden aan de verhoogde bloedwaarde en dat deze buiten de beoordeling dient te blijven.

Conclusie
Uit het vorenstaande blijkt dat een betrokkene in de vorderingsprocedure van het CBR ex artikel 130-134 WvW een groot belang kan hebben bij het laten verrichten van een tegenonderzoek op het gebruikte bloedmonster. De resultaten van het bloedonderzoek alcohol kunnen immers leiden tot de conclusie alcoholmisbruik met als gevolg ongeldig verklaring van het rijbewijs.

In de regelgeving is niet voorzien in het recht op contra-expertise. De Raad van State heeft deze leemte in de regelgeving opgevuld door een betrokkene deze belangrijke waarborg te geven. Als advocaat in CBR- procedures zie ik dat er nog te weinig van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt. Het gevolg is dat er procedurele mogelijkheden onbenut worden gelaten waardoor er mensen die zijn die hierdoor niet kunnen aantonen dat de verhoogde bloedwaarde niet door alcoholmisbruik wordt veroorzaakt.

Indien een betrokkene van mening is dat de verhoogde bloedwaarde niet door alcoholgebruik kan zijn veroorzaakt, adviseer ik als advocaat dan ook altijd om meteen een contra-expertise aan te vragen op de bloeduitslag. In mijn praktijk blijkt na de contra-expertise regelmatig dat het eerste bloedonderzoek alcohol onjuist was.

Als u over het bloedonderzoek alcohol en de contra-expertise in de vorderingsprocedure van het CBR meer wilt weten, kunt u contact opnemen met verkeersrechtadvocaat Bert Kabel. Zijn telefoonnummer is 040-284 1172.